Breukenpuzzel

Aantal: 3 leerlingen

Benodigdheden:
  • puzzels met breuken
  • correctiesleutel
Spel: Breuken oefenen
  1. Leg de puzzelstukken met de breuken aan de ene kant van de klas.
  2. Leg het andere deel van de puzzelstukken (taartverdelingen) aan de andere kant van de klas.
  3. In het midden van de klas moeten de leerlingen de oplossing leggen.
  4. Om de beurt loopt, springt, stapt de leerling naar beide kanten van de klas en zoekt welke breuk bij elkaar past.
  5. De oplossing wordt in het midden van de klas gelegd.
  6. Er is telkens 1 leerling die in het midden blijft staan om te kijken of de puzzels correct zijn.

Hinkelen

Aantal: 3 leerlingen

Benodigdheden:
  • hinkelveld met getallen naar keuze
  • 1 pittenzakje
  • correctiesleutel met even en oven getallen
Spel: even of oneven getal
  1. Leerling 1 gooit het pittenzakje op één van de vakjes.
  2. Als het getal even is dan springt leerling 1 op alle andere even getallen (van klein naar groot).
  3. Als het getal oneven is dan springt leerling 2 op alle andere oneven getallen (van klein naar groot).
  4. De andere leerlingen controleren of de leerling juist hinkelt.
  5. Klaar? De leerling geeft het pittenzakje door en wisselt van rol.
  6. Moeilijker: hogere getallen die niet op elkaar volgen. Omgekeerd werken van groot naar klein.

Getallenlijn

Aantal: de klas

Benodigdheden:
  • iedere leerling een getal
  • correctiesleutel van een getallenlijn
Spel: Getallenlijn
  1. Hang het getal 0 in de klas.
  2. De leerlingen krijgen ieder een getal.
  3. Wanneer de leerkracht een sein geeft, maken de leerlingen zo snel mogelijk een getallenlijn.
  4. Leerlingen gaan terug zitten en wisselen het getal met hun buur.
  5. Opnieuw sein herhalen en de getallenlijn laten maken.
  6. Leerlingen gaan terug zitten maar nu moeten ze 2 getallenlijnen maken met alleen alle even en alle oneven getallen samen.

De reus en de kabouter

Aantal: 3 leerlingen

 Benodigdheden:
  • kaartjes met cm, dm en m
  • kaartjes met opdrachten: 10 cm = …, 300 cm = …
  • correctiesleutel (vb. 50 cm = 5 dm)
Spel: Maateenheden omzetten
  1. Hang aan de muur: onderaan ‘cm’, in het midden ‘dm’ en hoger de ‘m’.
  2. Leerling 1 en 2 staan naast elkaar.
  3. Leerling 3 toont en leest de opdracht voor. Vb. 50 cm = ….
  4. Leerlingen 1 en 2 moeten het juiste kaartje aantikken. Vb. 50 cm = 5 dm, dus 5 x ‘dm’ aantikken.
  5. Wisselen van rol.
  6. Moeilijker: kommagetallen gebruiken (vb. 0,5 m = 5 dm).