Uitbeelden

Aantal: 3 leerlingen

Benodigdheden:

kaartjes met tegengestelde woorden (dik – dun, groot – klein, …)

Spel: Tegengestelde woorden oefenen
  1. Leerling 1 en 2 nemen één kaartje en beelden samen de tegengestelde woorden uit.
  2. Leerling 3 probeert de twee woorden te raden.
  3. Bij een juist antwoord mag leerling 3 het kaartje houden.
  4. Wisselen van rol.
  5. Moeilijker: gebruik synoniemen i.p.v. tegengestelde woorden.

Tweeklank springen

Aantal: 3 leerlingen

Benodigdheden:
  • kaartjes met tweeklank woorden (vb. bouw, gauw, oud, …)
  • 2 kaartjes met een tweeklank (vb. ou en au)
Spel: Tweeklanken oefenen
  1. Leerling 1 en 2 staan tegenover elkaar.
  2. Op de grond liggen links en rechts 2 kaartjes met tweeklanken (vb. au en ou).
  3. Leerling 3 neemt een kaartje en leest het woord voor.
  4. Leerling 1 en 2 springen om het snelst naar links of rechts, dus naar de juiste tweeklank.
  5. Diegene die het eerst naar de juiste kant springt, mag het kaartje nemen = 1 punt.
  6. Wisselen van rol.
  7. Moeilijker: gebruik meerdere tweeklanken in het spel.

De wasdraad

Aantal: 3 leerlingen

Benodigdheden:
  • wasdraad en wasspelden
  • kaartjes met letters: dd, d of pp, p …
  • kaartjes met woorden (vb. paard, bed, pad, …)
  • correctiesleutel met woorden rond verenkelen en verdubbelen
Spel: verenkelen of verdubbelen
  1. Hang de verschillende letters aan de wasdraad
  2. Leerling 1 en 2 staan aan een lijn, enkele meters van de wasdraad.
  3. Leerling 3 neemt een kaartje en leest het woord voor en moet dit woord in het meervoud zeggen. (vb. pop >> poppen)
  4. Leerling 1 en 2 lopen naar de wasdraad en nemen het kaartje met de juiste letter(s) (vb. pp).
  5. 1 kaartje = 1 punt
  6. Wisselen van rol.
  7. Moeilijker: gebruik meerdere enkele en dubbele letters in het spel.

Lettersoep

Aantal: 3 leerlingen

Benodigdheden:
  • kaartjes met medeklinkers
  • kaartjes met klinkers
  • schrijfbord
Spel: woorden maken
  1. Leerling 1 en 2 nemen ieder 4 kaartjes uit het stapeltje medeklinkers en 2 kaartjes uit het stapeltje klinkers.
  2. Leerling 1 en 2 proberen met deze letters om het snelst een woord te maken.
  3. Leerling 3 schrijft de namen op het bord en plaats de punten hierbij.
  4. Punten: woord met 3 letters = 1 punt; woord met 4 letters = 2, enz.
  5. Leerling 1 en 2 herhalen het spel.
  6. Wisselen van rol na het maken van 2 woorden.